1500 jaar dammen  

 

 

Er wordt 1500 jaar gedamd. Minstens…

 In die 1500 jaar gingen groepen mensen niet alleen een eigen taal spreken maar bedachten ze ook hun eigen damregels en attributen.

Het resultaat is een groot aantal verschillende variëteiten. Sultan Ratrout uit Jordanië zette ze in een overzicht.

Een der variëteiten is het spel op het honderd-ruitenbord dat tegenwoordig "Internationaal Dammen" heet.

 

 

 

Internationaal dammen

 

 

 

 

Waar en wanneer is het 100-ruitenbord bedacht?

 Misschien in Nederland, in de tweede helft van de 16e eeuw, zeg omstreeks 1575.

 Maar zeker is dat niet. In de 16e eeuw Nederland dreef heel veel handel met andere landen. Misschien bracht een buitenlandse koopman die met een zeilschip of een paardenkoets Amsterdam aandeed het spel naar Nederland.

 

Dammen met 2x15 schijven

 

 Tot ongeveer 1650, dus tot half in de 17e eeuw, damde men met 2x15 schijven. Met deze aanvangsstelling:

 

                 

 
 

Wat waren de spelregels?

 

 De spelregels waren dezelfde als tegenwoordig.

 Met één uitzondering: als je niet sloeg haalde je tegenstander de boosdoener van het bord en blies ertegen. Op deze plaat uit de 18e eeuw zie je hoe de blaasregel werd toegepast: de witspeler heeft een zwarte schijf opgepakt en blaast ertegen. De Blaasregel werd ingevoerd in de 15e eeuw.

 In de 18e eeuw was het Franse woord voor schijf dame. Een schijf van het bord nemen en ertegen blazen heette in het Frans Souffler la dame. Die uitdrukking had nog een tweede betekenis: Er met  een getrouwde vrouw vandaar gaan. Dat zie je dus hier gebeuren: de zwartspeler verliest én een schijf én zijn vrouw! Want rechts wacht de koets...

 Een raar gebruik, dat blazen? Nou, dammers hadden vroeger gewoontes die nog veel raarder waren.

 

 

 

 

Hieronder zie je het gevolg van de blaasregel: combineren is onmogelijk!

 

                          

 

 

 

Johan Capelle van damvereniging 020 had in het diagram links tegen Anatoli Gantwarg (Van Stigt Thans) in de ereklasse 2014-2015 zojuist 22. 49-43 gespeeld en wordt nu op een dam getrakteerd: (24-30, 13-19, 16x7, 7-11).

 Zie nu het diagram rechts. Driehonderd jaar geleden zou wit hebben geweigerd de slag 16x7 uit te voeren. Zwart neemt dan schijf 16, de boosdoener, van het bord, blaast ertegen en verliest. Volgens onze regels is het juist wit die verliest. Wit slaat verplicht 16x7, en gaat onderuit door (20-24) 29x9 (18x49) 7x18 (49x4) z+.

 Het mag duidelijk zijn: die blaasregel staat combineren in de weg. Daarom gold bij composities de blaasregel niet.

 In het partijspel is de regel omstreeks 1900 afgeschaft. Pas toen werd het damspel echt een combinatiespel!

 De blaasregel was niet alleen maar lastig, je kon hem ook inzetten als tactisch wapen.

 

2x15 werden 2x20 schijven

 

 

 Omstreeks 1650 gingen sommige Nederlanders dammen met 2x20 schijven. Dat stond andere dammers zo tegen, dat ze het "nieuwe" spel Pools dammen noemden. In die tijd was Pools in Nederland namelijk een scheldwoord. Pools dammen betekende dus iets als 'stom dammen'.

 

 

 

 

 

Pools dammen geëxporteerd naar Frankrijk

 

 De Franse dammer Pierre Mallet schreef in 1668 een boek waarin hij de damspelen bespreekt die in zijn tijd in Europa werden gespeeld. Zo kende hij bijvoorbeeld het damspel in Spanje, Turkije en Italië, alle drie gespeeld op een bord met 64 velden. De spelregels verschilden. Het damspel in zijn eigen land lijkt op het Italiaanse damspel. Dammen in Nederland noemde hij niet, daar wist hij niets van.

 Niet lang na het verschijnen van dit boek, zeg tussen 1670 en 1685, maakten de Fransen kennis met het Nederlandse damspel op het 100-ruitenbord. Op het schilderij linksonder zie je namelijk drie kleinzoons van Lodewijk XIV, die omstreeks 1689 in het paleis van Versailles een partij damden. 

 Rechtsonder een vergroting van het bord: het telt 100 velden.

 

 

    

 

Frans onderzoek naar de herkomst van het 100-ruitendammen

 

 Wij weten meer van het verleden dan onze voorouders honderd jaar geleden, en die wisten meer van het verleden dan hun voorvaderen, enzovoorts.  Omstreeks 1785, dat is meer dan 200 jaar geleden, deed de Fransman Manoury onderzoek naar de herkomst van het 100-ruitendammen. Manoury, eigenaar van een koffiehuis in Parijs, schreef twee damboeken.

 Hieronder zie je twee tekeningen van het koffiehuis, een van ongeveer 1772 en een van begin 19e eeuw.

 

 

Bij de tekening

Jacques F.R. Treton de Vaujuas (Fr.) (1756-...) "Interieur van café Manoury" [Musée Carnevalet, Paris]

De man staande rechts in het midden zou Manoury kunnen zijn, die een bezoeker ontvangt

Die bezoeker (met hoed en wandelstok) zou de beroemde dammer Blonde zijn (1741-1819). Blonde was 40 jaar lang de sterkste speler van Parijs.

 

 

 

 

Bij de afbeelding

Tekening getiteld "Café Manoury". Volgens een bron uit 1852 waren de spelers Clérambault and Blonde

[Frontispiece in "Deux cents nouveau problèmes récréatifs du jeu de dames à la polonaise" van Laurent Commard, 1823]

 

 

 

  De uitkomst van het 18e-eeuwse Franse onderzoek

 

 In zijn tweede boek (1787) deed Manoury verslag van een onderzoek dat hij had ingesteld naar de herkomst van het Poolse damspel.

 Zijn conclusie was: 100-ruitendammen is uitgevonden in Parijs omstreeks 1723. Met onze huidige kennis weten we dat dit niet waar kan zijn. Dat is echter niet overal doorgedrongen, want in allerlei boeken en op allerlei sites vind je nog de Franse verzinsels als werkelijkheid.

 Bron is de Engelse schaak- en bordspelhistoricus Harold Murray, die in 1952 Manoury's legende presenteerde als historische waarheid.

 

 

 

 

Lange dam en korte dam

 

 

 

Hoe komt het Internationaal Dammen aan z´n lange dam?

 

 De wereld telt tientallen verschillende damspelen. Op een geschakeeerd of ongeschakeerd bord in verschillende formaten of op een lijnenbord in verschillend formaten. Via de site www.alldraughts.com of www.fmjd.org kun je allerlei verschillende damspelen uitproberen.

 Sommige damspelen speel je met een korte dam, andere met een lange dam. Het Engelse damspel wordt bijvoorbeeld gespeeld met een korte dam. De korte dam slaat zoals de schijf in het Internationale Damspel.

 In de wereld gaat de ontwikkeling van simpel naar ingewikkeld. De mens rekende bijvoorbeeld eerst met zijn vingers, toen met een telraam en uiteindelijk met een rekenmachine. Omdat dammen met een korte dam minder ingewikkeld is dan met een lange dam, nemen we aan dat damspelen met een korte dam de oudste zijn.

 Damspel met een korte dam is, denken we, minstens 1500 jaar oud. En damspel met een lange dam? We weten het niet. Voor het gemak houden we het hier erop, dat die werd uitgevonden omstreeks 1000 n.C.

 In landen als Rusland, Nederland en Spanje wordt gedamd met een lange dam. De lange dam in Spanje is daar waarschijnlijk gebracht door de Moren, die Spanje hebben veroverd. De Moren zijn echter nooit in Rusland en Nederland geweest. Waar komt de lange dam in die landen vandaan? Geen idee.

Klik hier voor meer informatie over de lange dam.

 

 

 

Dammen op het kleine bord

 

 

  Omstreeks 1575 stapten de Nederlanders over van het schaakbord met z'n 64 velden ˗˗dammers noemen dat het kleine bord˗ op het 100-ruitenbord. Dammers noemen dat het grote bord.

 

 

 

 

 

Dammen op het kleine bord

 Als onze voorouders al damden in bijvoorbeeld de 14e eeuw, deden ze dat op een lijnenbord. Over dat lijnenbord straks. Eerst iets over dammen op het kleine bord.

 Omstreeks 1350, niet later, eerder iets vroeger, maakten dammers in een Europees land de overstap van dat lijnenbord op het kleine bord. In welk land weten we niet. Dat kleine bord was in gebruik bij schakers, dus er hoefden geen speciale borden voor gemaakt te worden.

 Op het moment van de overstap werd er gedamd met vrij slaan. Dat wil zeggen dat je mocht slaan maar dat je het ook mocht laten. Als gezegd, werd uiterlijk in de eerste helft van de 15e eeuw een voorzichtig begin gemaakt met de verplichting tot slaan via de blaasregel.

 Het damspel met vrij slaan en met slagplicht volgens de blaasregel hebben eeuwenlang naast elkaar bestaan. In 1605 bijvoorbeeld maakte een Engelsman onderscheid tussen dammen met vrij slaan en dammen met de blaasregel. In 1668 mopperde de Fransman Pierre Mallet in een damboek op dammen met vrij slaan, dat vond hij zo'n kinderachtig spelletje.

 Was dammen met vrij slaan echt zo simpel? Waarschijnlijk niet. Want als dammen met de blaasregel zo'n stuk boeiender was, waarom heeft het dan eeuwen geduurd voordat het damspel met vrij slaan verdween?

 Tot hoelang er nog werd gedamd met vrij slaan, weten we niet.

 Waarom die Pierre Mallet dammen met vrij slaan maar niks vond, wordt duidelijk wanneer we weten dat hij verplicht slaan propageerde, inclusief de meerslagregel. Kijk, dan krijgt het damspel een extra dimensie, want dan wordt het een combinatiespel.

 In 1668 kende die Mallet het 100-ruitenbord niet. Dat werd niet lang daarna in Frankrijk ingevoerd. In de tweede helft van de 18e eeuw wordt de meerslagregel toegepast in de problematiek. Dat weten we uit de twee damboeken die in Frankrijk verschenen in 1770 en 1787, en uit een Nederlands damboek uit 1785.

 

Dammen in Italië, Frankrijk, Engeland en Spanje

 

 In de late middeleeuwen, zeg vanaf midden 14e eeuw, damde men in Italië, Frankrijk en Engeland op het kleine bord met de korte dam. De middeleeuwen is de tijd tussen 500 en 1500 nC. In Italië leeft het oude spel nog voort als Italiaans dammen, in Engeland als Engels dammen. Italiaans dammen en Engels dammen verschillen een heel klein beetje van elkaar. In Frankrijk is het middeleeuwse damspel verdwenen, het werd verdrongen door het Poolse damspel.

 In Spanje speelde men in de late middeleeuwen op het kleine bord met dezelfde spelregels. Alleen met een lange dam inplaats van een korte dam.

 

 

 

 

Bij de afbeelding

In 1470 verscheen er in Frankrijk een manuscript over de ongelukkige jonge Ierse koningsdochter Isolde, die werd uitgehuwelijkt

aan een stokoude Engelse koning. Tristan, een knappe ridder van haar eigen leeftijd, brengt haar per schip weg. Je begrijpt het al: die twee worden straalverliefd. Maar het is geen Hollywoodfilm waarin de twee geliefden nog lang en gelukkig leven, het loopt tragisch met ze af.

 Het stel speelt op het schaakbord, dat is zeker. Maar zijn die twee nu aan het schaken of aan het dammen? Je ziet schaakstukken, maar de stukken staan opgesteld zoals in het dammen. En je kunt gemakkelijk dammen met schaakstukken. Want daarvan zijn er 2x16, en voor dammen op het kleine bordheb je er 2x12 nodig. Kortom, dit is een damafbeelding.

 

 

 

 

 

 

 

 

Dammen op het kleine bord

 

 

      

 

Geschakeerde en ongeschakeerde borden

 

 Hierboven zie je drie damborden met de schijven in de aanvangsstand.

 Het eerste diagram is het middeleeuwse lijnenbord. De schijven en dammen volgen de lijnen en schuiven en slaan dus zowel diagonaal (schuin) als orthogonaal (recht). Een schijf hoeft niet alleen naar voren te schuiven of te slaan maar mag ook een veld naar links of naar rechts. De dam natuurlijk ook.

 Stel je voor dat een 14e-eeuwer besluit te gaan dammen op het schaakbord. Dat schaakbord is geschakeerd, dat wil zeggen het telt donkere en lichte ruiten. Hij zette de 2x12 schijven als vanzelf op de velden van één kleur, in dit geval de lichte velden. Waarom? Omdat de diagonalen hem daartoe bijna dwongen. En op die manier ontstond diagonaal damspel, zoals het Internationale Damspel.

 In Turkije en in het Midden-Oosten spelen dammers op het rechter bord een orthogonaal damspel, dat wil zeggen dat de schijven recht naar voren of naar rechts en links schuiven en slaan. De dam natuurlijk ook.

 Ook het orthogonale damspel is ontstaan toen dammers overstapten van het lijnenbord op het geruite bord. Maar waarom ging men in het ene land diagonaal en in het andere land orthogonaal dammen?

 De verklaring ligt in de ontwikkeling van het schaakbord. Het schaakbord was eerst ongeschakeerd, dat wil zeggen alle velden hadden één kleur. Als je het bord schakeerde gaf dat echter steun bij bijvoorbeeld het verplaatsen van de loper, dan bleef die op de juiste diagonaal.

 De ontwikkeling van het schaakbord was verantwoordelijk voor het ontstaan van diagonaal en orthogonaal dammen. In het ene land werd er geschaakt op het geschakeerde bord, in het andere op het ongeschakeerde bord. In een land met een geschakeerd dambord werd het damspel diagonaal, in een land met een ongeschakeerd dambord werd het damspel orthogonaal.

 

 

 

 

Dammen op het lijnenbord

 

 

 

Het lijnenbord

 

 De miniatuur hieronder komt uit een Spaans manuscript over bordspel dat in 1283 werd geschreven en geïllustreerd voor koning Alfonso van Castilië en León. Zo zag het dambord er heel vroeger uit. Het werd gespeeld met 2x12 stukken. Op de tekening zie je de aanvangsstand. Rond het bord staan edellieden van het koninklijk hof.

 

 

 

 

Het damspel op het lijnenbord

 

 Zo zag het dambord er dus uit voordat dammers in de late middeleeuwen overstapten op het schaakbord oftewel het kleine bord. Dat gebeurde halverwege de 14e eeuw, eerder vroeger dan later.

 De regels veranderen was niet nodig. Dammen op het lijnenbord werd dus gespeeld met dezelfde regels als dammen op het kleine bord. Dammen op het lijnenbord is echter opwindender, want beide spelers halen veel sneller dammen.

 In Italië, Frankrijk en Engeland, en waarschijnlijk ook in een aantal andere landen van Europa, welke weten we niet, damde met op het lijnenbord met een korte dam. Oorspronkelijk ook in Spanje. Dat kunnen we opmaken uit de naam voor dammen op het lijnenbord, die in Italië, Frankrijk, Engeland en Spanje identiek was.

De rol van de Moren

 

 In Spanje is men echter overgestapt op dammen met een lange dam. Vóór het jaar 1000? Na het jaar 1000? We weten het niet. Die lange dam lijkt een gift van de Moren, die damden op het lijnenbord met een lange dam. Hoe de Moren daar weer aan kwamen is onbekend. Misschien bedachten ze die lange dam zelf, misschien namen ze hem over van een andere cultuur.

 De Moren hadden een eigen naam voor het dammen op het lijnenbord. Alquerque, zo noemden ze het spel.

 In de literatuur over bordspel en op tientallen sites kun je lezen dat alquerque werd gespeeld zonder promotie en met verplicht slaan. Dit schijnt onhoudbaar, lees verder.

Wat we (bijna) zeker weten

 

 We kennen nu het bord waarop het oudste damspel werd gespeeld, evenals het aantal stukken en de regels. Het werd gespeeld op een lijnenbord met 2x12 stukken. De schijven mochten alleen vooruit schuiven en sloegen met de sprongslag. Er was vrij slaan. De dam was kort. Dat weten we zeker.

 De oudste bekende naam voor het damspel is Latijn. Die naam gaat minstens terug tot ongeveer 600 n.C. Op grond van die naam mogen we dus aannemen, dat het damspel omstreeks 600 werd gespeeld in een gebied dat lag in de invloedssfeer van de Romeinse cultuur. Dat weten we bijna zeker.

 

Dammen vóór 600 n.C.

 

 Van dammen van vóór 600 n.C. weten we heel weinig. Voor de oudste sporen zijn we afhankelijk van archeologische vondsten van het lijnenbord, dat wil zeggen het alquerquebord in steen gekerfd. Archeologen dateren het oudste ingekerfde lijnenbord tussen 0 en 500 n.C.

 Na wetenschappelijk onderzoek kunnen we dus zeggen: de oudste sporen van het damspel dateren vermoedelijk van 0 tot 500 n.C.

 

 

 

 

Fantasieverhalen over de ouderdom van het damspel

 

 

 

 Op internet vind je allerlei fantasieverhalen over het ontstaan van het damspel in een ver verleden.

 Volgens de ene site is het damspel 5.000 jaar oud, volgens de andere 3.000 jaar en volgens een derde duizenden jaren. Geen van die verhalen gaat in op de vraag hoe het dammen dan wel ontstaan kan zijn. Er zit geen enkel serieus onderzoek achterzit, en het niveau stelt dan ook zwaar teleur.

 Bestaat er ook een betrouwbare site? Jazeker, de Engelstalige site http://www.mindsports.nl/index.php/on-the-evolution-of-draughts-variants/history van

de Nederlanders Christian Freeling en Ed van Zon is er een. Maar die twee zijn techneuten die geen rekening houden met de rol van de taal bij het vaststellen van de spelregels van alquerque, waardoor ze niet kunnen besluiten of alquerque nu wel of niet dammen was.

 

 

 

 

Nog een fantasieverhaal:

dammen is ontstaan uit schaken

 

 

 

 

 Zwaar teleurstellend ook is het niveau van drie historische verhalen die je bij schaakhistorici vindt. Ze vertellen ons alle drie hetzelfde: het damspel is ontstaan uit het schaakspel.

 Deze voorstellen zijn het gevolg van een anachronistische aanname, een beruchte valkuil uit de geschiedwetenschap. De visie op de plaats van schaken en dammen in de cultuur werd gevormd in de periode 1850-1915. Net als in onze tijd stond schaken in die periode hoger op de sociologische ladder dan dammen. Schaakhistorici namen zonder enig onderzoek aan dat dit altijd zo was geweest, dat het schaakspel altijd een belangrijk bordspel was en dat het damspel altijd op het tweede plan stond. Waarmee zij in een valkuil tuimelden waaruit zij zich nog altijd niet hebben weten te bevrijden.

 Daardoor biedt de huidige geschiedschrijving van het schaakspel het ontluisterende beeld van een wetenschap die een visie uitdraagt die één tot anderhalve eeuw geleden werd ontwikkeld en die al die tijd heeft stilgestaan.

 

 

 

Schaakverhaal nummer 1: een ongelukje met schaakkoninginnen

 

 Het eerste verhaal komt uit de duim van de Nederlands-Duitse schaakhistoricus Antonius van der Linde (1833-1897) [1874 II:394]. Volgens hem was het ontstaan van het damspel een ongelukje: er was een schaker een beetje aan het klooien met een aantal schaakkoninginnen die hij op het bord had gezet. Waar en wanneer dat was, kon hij niet vertellen.

 

< Antonius van der Linde

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Schaakverhaal nummer 2: voor simpelen van geest

 Begin 20e eeuw kwam zijn Amerikaanse collega Willard Fiske (1831-1904) [1905:93-4] met een tweede verhaal. Weten jullie hoe het dammen is uitgevonden?, zei hij. Er was een land bewoond door een heleboel simpelen van geest. Die wilden graag schaken, maar o jee, schaken was voor hen veel te moeilijk. Voor hen bedachten schakers toen het damspel. Dammen is vereenvoudigd schaken.

 In welk land al die simpele mensen woonden, en in welke tijd dammen uitgevonden was, kon de schaakhistoricus niet zeggen. Was dat land vol simpele geesten misschien Amerika? Want dat land kende hij het beste.

 

< Willard Fiske

 

 

 

 

 David Parlett

Govert Westerveld

Schaakverhaal nummer 3: dammen = alquerque + schaken

 

 De twee eerste verhalen zijn vergeten. Het verhaal dat bleef was dit: "Het damspel ontstond, toen iemand op het idee kwam de schijven van het alquerquespel het recht te geven om tot schaakkoningin te promoveren. Het damspel is dus een samenvoeging van alquerque en schaak."

 Dit was de opvatting van de Russen M.K. Gonjajew (1886) en D.I. Sargin (1890), van de Engelsen W.S. Branch (1911-1912), Harold J.R. Murray 1916, 1952), Robert C. Bell (1969) en David Parlett (1999), van de Nederlanders Wendel Kruijswijk (1966) en Gerhard Bakker (1992), en van de Spaanse Nederlander Govert Westerveld (1997-heden).

 Harold Murray bracht de taal als argument in, wijzend op een aantal woorden in de damtaal en  de schaaktaal van vroeger en nu die identiek waren of zijn. "Je kunt dit nog goed zien in het Frans", betoogde hij. "Daar heten de schaakkoningin en de dam bijvoorbeeld allebei dame. En zo zijn er nog veel meer voorbeelden. Die woorden zijn allemaal ontstaan in de schaaktaal en door de dammers overgenomen. Dit bewijst hoezeer dammers onder invloed van het schaakspel stonden." En zo gaf Murray dit verhaal een wetenschappelijk tintje mee.

 Wat hij deed, was van een aantal woorden verklaren waar ze vandaan kwamen. Echter, de herkomst van een woord verklaren vereist diepgaand en niet zelden langdurig onderzoek naar de taal in een bepaalde tijd. Het is een onderdeel van de historische taalkunde dat we Etymologie noemen, een wetenschappelijk vakgebied dat ruim honderd jaar bestaat.

 Murray evenwel kende het vakgebied niet, en de andere acht genoemde onderzoekers evenmin. Daardoor is dit derde verhaal niet onderbouwd, en mogen we vaststellen dat het niet meer is dan een fantasierijke aanname.

   

    

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

         Harold Murray

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

          Wendel Kruijswijk

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

                  

           

       

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

        

 

 

 

 

Het noodzakelijke onderzoek is verricht door de auteur van deze site sinds 1975. Hij heeft het volgende onderzocht.

• Klopt het dat de middeleeuwse damschijf* is vernoemd naar de schaakkoningin? Het antwoord luidt: nee, dat klopt niet.

• Klopt het dat de 16e-eeuwse damschijf* is vernoemd naar de schaakkoningin? Het antwoord luidt: nee, dat klopt niet.

• Klopt het dat de huidige damschijf* is vernoemd naar de schaakpion? Het antwoord luidt: nee, dat klopt niet.

• Klopt het dat de schaakkoningin is vernoemd naar een beroemde vrouw*? Het antwoord luidt: nee, dat klopt niet.

• Klopt het dat het damspel is vernoemd naar de schaakkoningin*? Het antwoord luidt: nee, dat klopt niet.

 

 

 

Invloed van dammen op schaken

 

 

 

1. Invloed van dammen op schaken in Frankrijk omstreeks 1740

 

 Murray mag dan de moeilijkheden die taalkundig onderzoek met zich meebrengt schromelijk hebben onderschat, hij was een serieuze onderzoeker, die een indrukwekkende hoeveelheid onbekend bronnenmateriaal voor de bordspelgeschiedenis boven water heeft gehaald. Daarom is het opmerkelijk dat hij heeft gemist wat de Franse schaakkampioen Philidor over de schakers van zijn tijd heeft gezegd, namelijk dat ze zo sterk werden beïnvloed door het dammen. Maar laten we eerst eens kijken wie dat was, Philidor.

 François-André Danican Philidor (1726-1795), zoon van een musicus die kapelmeester was aan het hof van koning Lodewijk XIV, studeerde rechten, maar ontwikkelde zich vooral als musicus, al op z'n elfde componeerde hij een motet. Parijs lag aan zijn voeten vanwege zijn opera's en bewonderde hem omdat hij blind kon schaken. Dat gebeurde toen geblinddoekt, zie de plaat. In 1744 veroorzaakte hij in West-Europa sensatie door twee partijen blind te schaken [Keessen & Van der Stoep 1982:37], maar in Italië waren spelers hem al eeuwen met drie partijen voorgegaan [Keessen & Van der Stoep 1982:72]. In 1783 speelde Philidor in Londen een blindsimultaan aan drie borden. Dat kan alleen maar mogelijk zijn geweest indien hij een zeer sterke schaker was. Harry Golombek [1976:118] beweert met grote stelligheid dat Philidor van ongeveer 1747 tot aan zijn dood Europa's sterkste schaker was, dat is dus een halve eeuw lang.

 

 

 In het Frankrijk der 18e eeuw beperkte een man met geld en beschaving als Philidor zich niet tot schaken. zo'n man damde ook. Dat werd zijn redding toen hij op tournee met een jonge klavecimbelspeler in Nederland strandde, dat was in 1745. De speler overleed namelijk, en toen zat Philidor een jaar in Nederland in armoe gevangen, geld voor een terugreis naar Parijs had hij niet. Hij overleefde door zijn vaardigheid in dammen: in koffiehuizen in Amsterdam en Rotterdam nam hij het om een inzet op tegen Nederlandse dammers [Keessen & Van der Stoep 1982:37]. Waarom hij niet schaakte? Omdat schaken in Nederland in die tijd onbekend was. Zonder het damspel zou een der groten van het schaakspel het leven hebben gelaten in een armzalig Nederlands zolderkamertje, het is toch wel ironisch.

 In elk geval moet Philidor een aardig potje hebben gedamd, dat bewijzen ook de partijfragmenten en problemen die door tijdgenoten zijn opgetekend in het koffiehuis van Manoury.

 
  Philidor

Spencer

Philidor

Philidor

Spencer

Philidor

 

Philidor

 

 

 

 

 Philidor speelde hier foutief 1...41-47? Zijn tegenstander ving nu de dam: 2. 17-11 47x16 3. 40-34 16x30 4. 25x13.

De achterloop 1...19-24 werd zwart fataal: 2. 36-31 24x42 3. 44-39 48x34 4. 28-23 34x36 5. 8-3 36x9 6. 3x3.

 

Wit wint door 1. 28-23 19x37 2. 42x22 25x23 3. 39-34 17x28 4. 38-32 28x37 5. 34-29 23x34 6. 24-20 15x24 7. 44-40 35x44 8. 50x6+

Wit speelt 1. 29-24 30x28 2. 21-17 12x21 3. 26x17 8x48 4. 20-14 6x17 5. 39-33 48x9 6. 33x4+.

 

 

 

 Voor de 18e eeuw zijn dit combinaties van niveau. Toch kan Philidor geen supersterke dammer  zijn geweest, want zijn pogingen om een partij blind te dammen mislukten ˗ ook al zijn er redenen om te veronderstellen dat blinddammen (nog) moeilijker is dan blindschaken, zie Keessen & Van der Stoep 1982:92-93.

 Philidor heeft het schaakspel vernieuwd door zijn pleidooi voor het gebruik van pionnen om het centrum te beheersen. "Pionnen zijn de ziel van het schaakspel", zo vatte hij het samen. Pionnen vormen een gesloten eenheid, een ketting, ze dienen elkaar wederzijds te ondersteunen. De speler laat ze, in de rug gedekt door met name het loperpaar, dus oprukken als een gesloten eenheid. Een geïsoleerde en/of achtergebleven pion wordt zwak, want vormt een potentieel aangrijpingspunt.

 Philidor was niet alleen een vernieuwer, hij bleek ook nog eens in staat zijn ideeën helder neer te leggen in een boek [Silbermann & Unzicker 1977 I:51-53; Golombek 1976:120-121; Eales 1985:115]. Toen dat verscheen, in 1749, was hij nog maar 23 jaar.

 

 

   

 

 

 Het schaakspel, zo klaagt hij, staat onder druk van het damspel. Niet alleen in Frankrijk, hij zag het ook in Berlijn. Schakers laten het gewone plan om de koning van de tegenstander mat te zetten los. In plaats daarvan rennen ze met hun pionnen naar de overkant om ze om te ruilen tot koninginnen en zo te winnen. Dat is geen schaken, dat is dammen, moppert Philidor [Van der Stoep 2007:100-101].

 Een mens, sociaal wezen als hij is, vermag zich niet te onttrekken aan het gedachtengoed van zijn omgeving. Philidor leefde in een tijd waarin het schaakspel volgens Philidor onder grote druk stond van het damspel. In de modelpartij die Amsterdammer Ephraim Van Emden in 1785 publiceerde, rukken de schijven op in een gesloten eenheid. Ze vormen een ketting, dienen elkaar wederzijds te ondersteunen. Want een geïsoleerde en/of achtergebleven schijf kan zwak worden of is zwak, en is dus een potentieel aangrijpingspunt [Van der Stoep 2007:99]. Het is deze damstrategie die Philidor kende, en die hij heeft overgeplant op het schaakspel. Antonius van der Linde [1874 II:400]: "Das Damespiel drang geistig mit Philidor selbst in's Schachspiel ein" (Door Philidor drong het damspel door tot in de ziel van het schaakspel).

 Zoals gezegd, het is opmerkelijk dat Murray uitvoerig ingaat op de invloed van het schaakspel op het damspel maar zwijgt over Philidors gemopper op de invloed van het dammen op het schaken. En vooral ook dat Murray, trouwens ook al zijn collega-schaakhistorici, zwijgt over wat Van der Linde zegt. Dat is toch geen wetenschapsbeoefening.

 

 

 

2. Invloed van dammen op schaken in laat-middeleeuws Spanje

 

 De naam van de nieuwe schaakkoningin die aan het einde der middeleeuwen werd geboren, was niet het resultaat van lang beraad maar van een spontane alledaagse taalschepping. Een dergelijk spontane schepping gaat niet samen met de creatie van een koningin als resultaat van langdurig experimenteren. Daarom moeten we onder ogen zien, of die nieuwe schaakkoningin niet ook een spontane schepping is. Dan valt te denken aan het voorbeeld van de lange dam in het Spaanse damspel.

 Een vanzelfsprekende voorwaarde voor eventueel kopieergedrag is, dat dammen in die tijd in Spanje een bekend spel was. Die mogelijkheid viel altijd buiten het perspectief van schaakhistorici, omdat zij aannamen dat het schaakspel uiterst populair was en het damspel nauwelijks. Het door de auteur van deze site verrichte onderzoek wijst echter uit, dat we eerder aan het omgekeerde moeten denken: het schaakspel was eeuwenlang verre van populair, het damspel des te meer. Zie het vervolg voor de (linguïstische) bewijzen.

 

 

 

De populariteit van het damspel

 

 

 

1. Middeleeuws Frankrijk

 

 De huidige Franse naam voor het damspel is (jeu de) dames*, opgekomen in de 14e eeuw. De spelnaam dames verving de oude spelnaam (jeu de) merelles.

 Merelles* betekende damspel, molenspel en hinkelspel. Echter, moderne Franse taalkundigen die de woordenschat van het Frans optekenden, misten de betekenis damspel. Voor onze visie op de status van damspel en molenspel in de middeleeuwen had dit grote consequenties.

 Bij de spelnaam merelles hoorde namelijk de schijfnaam merel. Merel betekende dus damschijf, molenschijf en hinkelsteen.

 Tussen de 11e en de 15e eeuw komt het woord merel in de literatuur relatief vrij vaak voor, echter zelden in zijn letterlijke betekenis. Het werd metaforisch gebruikt, dat wil zeggen in uitdrukkingen. Die uitdrukkingen hebben betrekking op het verplaatsen van een schijf in een bordspel. Dat moest weloverwogen gebeuren, anders ging het mis.

 En er ging nog iets anders mis. De taalkundigen kenden als gezegd van het woord merel alleen de betekenis molenschijf, en concludeerden dat de uitdrukkingen sloegen op het molenspel. Hun conclusie werd weer door andere taalkundigen overgenomen.

 "Wat was het molenspel tussen de 11e en de 15e eeuw immens populair", zeiden bordspelhistorici op basis hiervan. Dit klopt evenwel niet. Een taalkundige analyse van het woord merel* namelijk leert dat de uitdrukkingen sloegen op het damspel. Wat ons voert tot deze conclusie:

 Tussen de 11e eeuw of eerder en de 15e eeuw was in Frankrijk dammen in alle lagen van de bevolking een zeer populair spel.

 

 In de middeleeuwen was Frankrijk een natie die met haar cultuur invloed uitoefende op omringende cultuurgebieden. Op basis hiervan mogen we wellicht verwachten dat het damspel in de Italiaanse, Spaanse, Engelse, Duitse en Nederlandse cultuur een even grote populariteit genoot. Waarschijnlijk geldt dit ook voor Engeland, zie verder. Bij gebrek aan gegevens is deze uitspraak echter onverantwoord voor de andere genoemde landen, hoe redelijk ze ook lijkt.